Voorzichtig zijn we weer begonnen met de diensten. Waar een boekje ligt, kun je plaatsnemen. De wereld gaat weer meer open met toch iedere keer weer berichten die je even doen huiveren. Het wordt ‘gewoon’ om geen hand meer te geven. Bij een kennismaking kan het ongemakkelijk voelen. Je naam hardop zeggen, elkaar aankijken maar niet de gebruikelijke hand geven, alsof je iets achterhoudt.

Al schrijvend moest ik denken aan het Hebreeuwse woord jad, dat hand betekent. Onze taal kent het woord jatten, een ruw woord voor handen en ook wel in de betekenis van stelen. Steel je iets van elkaar bij het handen geven? Wat geef je eigenlijk? Iedere hand laat een indruk achter, denk maar aan de ferme handdruk, de slappe handdruk, de klamme handdruk, de zachte, kleine, bijzonder grote hand van de ander, de hand die trilt, de kinderhand die verlegen achter de rug wordt gehouden. Met het geven van je hand geef je iets mee.

In de bijbel kun je lezen over zegenende handen. Ik moest denken aan een  zondagsschoollied met de versregel: Zegenende handen op hun hoofd gelegd.’

Wij houden onze handen thuis, uitzonderingen daargelaten. Mogelijk dat we nu elkaar meer aankijken, met onze ogen aftasten wat onze handen niet kunnen. Contact maken is immers zo wezenlijk. Anno nu kunnen we contactloos betalen maar als deze periode iets duidelijk maakt, dan is het wel dat we niet contactloos kunnen leven. Zegenende handen blijven nodig.